De laatste jaren schieten de exploitatiemaatschappijen voor warmte- koudeopslaginstallaties en bodemenergiesystemen als paddenstoelen uit de grond. Veelal ontstaan uit investeringssamenwerkingen ongehinderd door enige vorm van technische kennis. Afgelopen jaren heeft dit vaak geleid tot conflicten tussen de eigenaar van de technische ruimte, het afgiftesysteem en de individuele energieafnemer resulterend in niet betaalde nota's.

4 september 2015

Leergang bodemenergie

Met ingang van de certificering van BRL 6000-21 (bovengrondse deel) en BRLSIKB 11000 (ondergrondse deel) wordt duidelijk om de aanleg, het onderhoud en uiteindelijk het beheer van een warmte- koudeopslaginstallaties en bodemenergiesystemen integraal te benaderen. Bepalend voor het functioneren van de installatie is de onderlinge samenhang van de verschillende componenten. Van de aankomend systeemontwerpers wordt dan ook geacht om volgens de BOAG-systematiek te ontwerpen; bron, opwekking, afgifte en gebouw. Hierbij is de vraag van het gebouw leidend.

Buitensporige energieafrekening

Wanneer dit tracé gehandhaafd wordt zou je zeggen dat de opdrachtgever een goed functionerende installatie afneemt welke klaar is voor exploitatie. Echter is dit niet helemaal waar. Met name de bemetering en de thermostatische regeling, op individueel (appartement) niveau, aan de afgiftezijde leidt vaak tot vragen. Veelal worden er draadloze of bedrade naregelingen geplaatst waarbij het zeer moeilijk op te merken is of deze in storing staat. Met name in verzorgingshuizen en seniorencomplexen waarbij mensen voor het eerst te maken krijgen met laagtemperatuurverwarming is het moeilijk te constateren of dat een servomotor ongevraagd doorlaat. De ontwerpbinnentemperatuur van 20 a 22 graden Celsius wordt al aan de krappe kant ervaren en 24 graden Celsius ligt wat dat betreft meer in het verwachtingspatroon. Voor deze doelgroep is het tevens onmogelijk om zelfstandig op de sturingsmodule vast te stellen of dat het systeem in storing is. Kortom, tot ver in het voorjaar staat de gehele installatie vragend wat resulteert in een buitensporige energieafrekening.

Relatie bewoner, gebouweigenaar en exploitatiemaatschappij

De exploitatiemaatschappij stuurt deze rekening richting de bewoner welke vervolgens zijn beklag gaat doen bij de gebouweigenaar. De gebouweigenaar legt vervolgens de vraag bij de exploitatiemaatschappij. Deze zegt dat hij de energie heeft geleverd conform opgaaf en dat het probleem zich zal bevinden in het afgiftesysteem. Hierbij spreekt de exploitatiemaatschappij de waarheid alleen leid het antwoord niet tot een oplossing en zal de gebouweigenaar veelal een concessie moeten doen in de vorm van een vergoeding.

Hoe werkt het wel

Zoals u opmerkt is de naam van de installateur in dit gehele verhaal nog niet gevallen. Dit is jammer! Op het moment dat een gebouweigenaar de gehele exploitatie weg legt bij een installateur welke verantwoordelijk is voor de storingsopvolging aan bron, opwekking en afgiftezijde ontstaan dit soort situaties minder snel. Zij hebben immers gevoel bij de kennis en kunde van de bewoners en kunnen hierop anticiperen middels terugkerende voorlichting over het systeem en de verwachtingen welke men ervan mag hebben. We pleiten er dan ook voor om als het ware, naar realisatie, een ‘zorgplicht’ te verplichten tijdens de exploitatie van warmte- koudeopslaginstallaties en bodemenergiesystemen. Een ‘zorgplicht’ welke alle betrokkenen binnen de ‘Warmtewet’ extra handvaten geeft voor het gecontroleerd afnemen van energie.

Onze oproep

Kortom, BodemenergieNL wilt u eens nadenken over deze ‘zorgplicht’. Uiteraard zijn wij te bereiken voor een brainstormsessie.

Colofon

Pieter van Dijk & Ben Heil